EHH Writers in Residence / Blog

Artist and Writer in Residency

Schrijfster en dichteres Stevine Groenen verblijft de komende weken als writer in residence in het Etty Hillesum Huis. Zij werkt aan verschillende projecten en zij zal een aantal mooie schrijfworkshops voor scholieren verzorgen. Hier leest u haar blog.

Vrijdag 27 maart

De afgelopen dagen joeg er een ijskoude wind door de straten van Middelburg. Beurtelings kwam er hagel en regen uit de grijze hemel en er viel zelfs een donderslag. Reden waarom ik een deel van de dag schrijvend en lezend in bed doorbracht, net zoals jij dat vaak deed Etty. Als je buik jengelde bijvoorbeeld.

Nog altijd komen er boeken uit van schrijvers over de hele wereld die jouw persoonlijkheid, leven en werk proberen te duiden en in een nieuw daglicht zetten. Lotte Bergen, directeur van het Etty Hillesum Huis, presenteerde onlangs de publieksversie van haar promotieonderzoek naar sporen van agency (eigenaarschap) in je dagboek en brieven. Ze bewondert jouw moed omdat je jezelf niet op de eerste plaats zette in die duistere tijd waarin je leefde, maar je vol overgave wijdde aan je medemens, je familie en de generaties die na je zouden komen. 

Net van de drukpers is Een apart soort moed, Etty Hillesum nu van letterkundige en hovenier Jan Oegema, waarin hij jou schetst als een moderne Antigone uit de Griekse tragedie van Sophocles. Weliswaar is Antigone een stuk jonger dan jij en zijn haar familie- omstandigheden nog stukken ingewikkelder dan de chaotische banden binnen het gezin waarin jij opgroeide, beiden zijn jullie intelligente vrouwen die in moeilijke tijden eigenzinnige keuzes maken, dwars tegen de heersende conventies in. Antigone verkiest de dood boven het moederschap, omdat zij de doden wil helpen; jij zou het schrijven verkiezen boven het moederschap omdat je de kroniekschrijver van je tijd wilt zijn. Je weigert onder te duiken, solidair als je bent met joodse mensen die niet het geluk of het geld hebben een adres te kunnen vinden. Dat deze houding je dood kan betekenen, neem je voor lief.

De vergelijking met Antigone is (deels) origineel en Jan Oegema schrijft mooi, hij neemt de lezer bij de hand en voert die langs zijn meanderende beschouwingen. Toch bemerk ik bij mezelf een zekere wrevel, en als de auteur vanuit zijn mannelijke perspectief dingen te zeker lijkt te weten over jou, wil ik mijn hand losrukken. Het is duidelijk dat Oegema nooit in vertwijfeling van zijn laatste geld een zwangerschapstest heeft gekocht omdat hij het vermoeden heeft dat hij zwanger is.

Zo stelt Oegema dat het motief dat jij beschrijft om je (vermoedelijke) zwangerschap af te breken met hete voetenbaden, twintig kininepillen en cognac een blessing in disguise is, ‘een zegen in vermomming’. Niet de gekte in jouw familie die jij aanvoert is het motief voor de vroege abortus, nee – onder dat motief zit volgens Oegema de werkelijke reden: je zou überhaupt geen huwelijk of geregeld gezinsleven willen want je weet allang dat je niet gemaakt bent voor een burgerlijk bestaan. Is dat zo? Waarom gaat Oegema niet uit van de dagboektekst waarin je zelf je overwegingen zo duidelijk aangeeft?

Woensdagochtend 3 december 1941

Om 5 uur weer wakker. Misselijk en een beetje duizelig. Of verbeeldde ik me dat alleen maar? Toen 5 minuten lang alle angsten van alle jonge meisjes door me heen voelen gaan, die plotseling, tot hun schrik, een kind verwachten, dat ze zich niet gewenst hebben.

 

Dinsdag 24 maart

Vanochtend is de workshop poëzie schrijven voor mavo3-leerlingen van de scholengemeenschap Nehalennia in Middelburg. Een les van drie kwartier, die onderdeel is van een groter geheel. De leerlingen krijgen ook een korte film over jou te zien, Etty, er is een wandeling langs de Stolpersteine in Middelburg, een workshop dagboektekenen met het thema ‘worden wie je bent’ en een workshop vrijheidskaart tekenen n.a.v. het boekje ‘Iedereen kon het zien.’

Mijn les is op de eerste verdieping van het huis, met prachtig uitzicht op het Molenwaterpark. In drie kwartier gaan de leerlingen een gedicht schrijven over een regel uit een brief die je schreef op 11 augustus, vanuit kamp Westerbork aan je vriendin Maria Tuinzing:

Later, wanneer ik niet meer wonen zal op een ijzeren brits in een land, waar prikkeldraad omheen is, dan wil ik een lampje boven mijn bed hebben, zodat het ’s nachts licht om me heen is, wanneer ik dat wil.

Na enkele tips en voorbereidende opdrachten gaan de leerlingen zelf aan de slag. Ik vind het belangrijk om ze te stimuleren om beeldend te denken: wat zie je voor je als je de regel uit de brief leest? Probeer dat moment te vangen in ‘ingedikte taal’. Sommigen tekenen liever dan dat ze hun gedachten in woorden proberen te vatten. Dat is prima, maar als ik merk dat leerlingen bang zijn om taalfouten te maken spoor ik ze aan om dat los te laten. Vanmorgen gaat het erom de verbeelding aan te spreken en lekker te schrijven. ‘Houd je pen op het papier en schrijf alles wat in je opkomt, later kan je veranderen: schuiven met zinnen, een woord aanpassen. Of een spelfoutje corrigeren.’

Het kost enige moeite, maar uiteindelijk weet ik elke leerling aan het schrijven te krijgen, ook al is niet iedereen even gemotiveerd om mee te doen. ‘Ik kan het niet, want het boeit me niet,’ zegt een meisje. Ze is moe en wil liever naar huis om in haar bed te gaan liggen. ‘Wat dacht je dat Etty wilde?’ vraag ik.

De kinderen zetten grote ogen op als ze horen dat de joden in Westerbork niet op zachte matrassen sliepen, maar op bultige strozakken die al door vele voorgangers waren gebruikt. ‘Had Etty dan ook geen dekbed mevrouw?’ ‘Nee, ze sliep onder een dunne deken, als ze geluk had tenminste.’

Een moslimjongen vraagt wie de God van de joden is en schrijft even later dat hij jou de baklava van zijn moeder zou willen laten proeven. Een andere leerling is zo door jou geïnspireerd dat ze ook een dagboek wil gaan bijhouden. Een groep giechelende meisjes schrijft in hoofdletters een afscheidszin: ‘Beste Etty, je zweeft door mijn hoofd na het lezen van je dagboek’. Ik hoop dat je nog even in die koppies blijft dralen.

 

 

 

 

Vrijdag 20 maart

De leeskring van het Etty Hillesum Huis heeft me gevraagd aan te schuiven. Deze ochtend wordt het dagboek In depôt besproken, dat de joodse journalist Philip Mechanicus (Amsterdam 1889 – Auschwitz-Birkenau 1944) in kamp Westerbork heeft bijgehouden. Mechanicus zag zichzelf als een reporter die verslag deed van een schipbreuk. In het dagboek vergelijkt hij de joden in het kamp met ‘goederen’ die tijdelijk ‘in depot’ zijn opgeslagen bis auf weiteres. Een fragment uit zijn dagboek:

De Joden zitten hier in Westerbork als Job op de mesthoop: haveloos. Een kostuum en wat onderkleren om bij de dag, een schamele deken om ’s nachts de schamele leden te bedekken, een paar schoenen, een pet, een mes, een lepel en vork, een beker maakt hun hele bezit uit.

Wil je weten hoe het leven in kamp Westerbork was, lees dan Mechanicus.

Etty, wat moet Philip Mechanicus, die jij beschrijft als de man met de vilten hoed, veel voor jou hebben betekend. Jullie zaten vaak aan dezelfde tafel te schrijven en maakten talloze omzwervingen in het kamp. En geef maar toe, er was meer dan vriendschap tussen jullie, ook al was Mechanicus getrouwd en beleefde hij in het kamp ook een liefde met Annemarie.

Op een wandeling op de grijsbewolkte maandagavond van 23 augustus 1943, zagen jullie overal op het terrein mensen ‘samenklonteren’. ‘Kijk zo staan de mensen ook in groepjes na een ramp, wanneer ze op alle hoeken van de straten die ramp bespreken’, merkte Philip op. ‘Maar dat is juist het onbegrijpelijke’, barstte jij uit, ‘het is nu vóór de ramp.’

Deze scene speelt zich af aan de vooravond van een van de honderd deportaties uit kamp Westerbork. In de loop van de dag is duidelijk geworden dat er veel kwetsbare kampbewoners op de transportlijsten staan, zoals moeders met baby’s, hoogbejaarden en mensen uit de strafbarak. Dat geeft veel onrust. In de dramatische nacht die volgt moet iedereen die op de lijst voorkomt zich klaarmaken voor transport. Na afloop brengen jullie allebei verslag uit, elk op een eigen manier. Philip in zijn dagboek en jij in een rondzendbrief geadresseerd aan Han Wegerif. Je merkt dat woorden en beelden te kort schieten om al deze ellende te beschrijven en je vraagt je af: ‘Wanneer ik zeg: die nacht was ik in de hel, wat druk ik daarmee dan nog uit?’

Hoewel je bijna niet kunt bevatten wat je hebt waargenomen, schrijf je met alle moed die je in je hebt op wat er die nacht is gebeurd. Over baby’s die midden in de nacht uit hun kribjes worden gehaald en zo hartverscheurend huilen dat het geluid elke kier van de barak bereikt. Over wanhopige moeders die jou smeken om hun kind ergens, maakt niet uit waar, te verstoppen. Over een doodsbange jongen op de vlucht die na een drijfjacht de trein in wordt gedwongen. Over een verlamd meisje dat weigert een etensbord mee te nemen omdat ze weet dat ze doodgaat. Over doodzieke ouden-van-dagen die op brancards de trein in worden gedragen. Over een vrouw in barensnood die op het laatste moment wordt gevrijwaard van transport. En over de kampcommandant Gemmeker, die vermeende gentleman die met zijn charmante voorkomen menig bakvis het hoofd op hol brengt en zich heer en meester toont over leven en dood van al die kampbewoners op de Drentse hei. Hoe hij op de Boulevard des Misères langs de trein paradeert, vlak voordat de deuren van de volgeperste goederenwagons worden gesloten.  ‘Zal men de buitenwereld ooit kunnen beschrijven, wat zich hier allemaal heeft afgespeeld?’ vraag je aan je metgezel. Toch gaan jullie beiden door met schrijven, omdat jullie niet anders kunnen.

Een brief om niemand te verontrusten

de fluit snerpte door de vroege ochtend

en je telde vijfendertig goederenwagons

hier en daar waren er planken losgebroken

door de gaten staken hoofden en

handen die zwaaien

en je zat daar maar

op een toevallige kist tussen de struiken, en

je liet je verbijsterde pen

over het lijntjespapier glijden

tot er geen druppel inkt meer vloeide

bij het prikkeldraad

plukte een bewaker

een boeket paarse lupinen

en de lucht vulde zich met vogels

en je schreef: met mij gaat het goed

Stevine Groenen

Donderdag 19 maart

Het begint vertrouwd te voelen dat schrijven in de zonnige erker. Buiten dartelen pimpelmeesjes rond de gringko. Verderop neemt een boomchirurg in een hoogwerker een oude eik onder handen. Ik heb er bewondering voor hoe iemand precies weet welke takken er gesnoeid moeten worden om ruimte te geven om te groeien.

Etty, in jouw dagboek neemt het landschap in brede zin een belangrijke plaats in. In het begin schrijf je vooral over herinneringen die je hebt aan het IJssellandschap bij Deventer, de stad waar je opgroeide. Maar later gaat het over hoe je het landschap en elementen daarvan ervaart, en word je meer en meer onderdeel van het landschap. Zo schrijf je op 28 maart 1942 over de boom voor jouw huis aan de Gabriël Metsustraat in Amsterdam:

Ik dreigde één ogenblik sentimenteel te worden, toen de takken gekapt werden. En één ogenblik later was ik heel zwaar treurig. En toen wist ik weer: het nieuwe landschap, dat er ontstaat, zal ik weer op zijn manier liefhebben.

Ik ken dat gevoel: verdriet om een boom, het aloude symbool dat hemel en aarde verbindt. Een tijd geleden werd ik thuis wakker van het onheilspellende geluid van een kettingzaag. Drie hoveniers waren bezig de machtige rode beuk in één van de grote aangrenzende achtertuinen te vermoorden. Een oergezonde boom die daar nog wel eeuwen zou kunnen staan. Zo’n boom waarvoor je omfietst en die in elk seizoen prachtig is. De beuk bleek inzet te zijn van een uit de hand gelopen burenruzie. Elke buurt heeft wel een ‘meneer of mevrouw Helderder’, die niet tegen vallende blaadjes of bloesems kan en die maar blijft klagen dat een boom te veel licht wegneemt, net zolang tot het zogenaamde gelijk wordt gehaald.   

Ik mis de beuk nog elke dag. Voor dit verlies zijn nieuwe woorden: natuurrouw bijvoorbeeld of landschapspijn. Deze neologismen zijn belangrijk, ze geven erkenning en laten zien dat er meer mensen zijn die verdriet voelen als er niet respectvol met natuur wordt omgegaan. Dat ze iets missen als het landschap verandert. Ook als dat onvermijdelijk is.

In de jaren veertig bestonden deze woorden nog niet, maar je stond je niet alleen Etty in je gevoel voor de natuur. De dichteres M. Vasalis schreef bijvoorbeeld dit over haar contact met een boom:

Hij was niet groot, zijn bast was hard,

maar ‘k voelde duidelijk het kloppen van een hart;

ik denk dat het alleen het mijne was.

Ik stond in het onzichtbare, natte en zware gras

en voelde me in ’t paradijs gedreven.

Wie kan daar leven?

Uit: Vergezichten en gezichten (Uitgeverij Van Oorschot 1940)

dinsdag 17 maart 2026

Vanmorgen werd ik vroeg al wakker van een zingende vogel. De Lange Jan sloeg met zijn langzame slagen vijf uur. Daarna kon ik niet meer slapen. Waren het eerst alleen de merels die floten, al gauw sloten zich de koerende duiven op het dak aan. En daarna overvliegende ganzen en meeuwen die schreeuwend langs de kaaien vliegen.

En nu zit ik weer in de erker te schrijven. De zon schijnt nog uitbundiger dan gisteren naar binnen. Toen jij ter wereld kwam, Etty, was het Molenwater al gedempt. De huizen aan de overkant stonden er nog niet, daarom heette jullie huis dan ook ‘Ruimzicht’, maar de muziekkoepel was er destijds al wél. Als daar een concert werd gegeven moet dat hier op volle sterkte te horen zijn geweest.

Ik zie voor me hoe je moeder Riva op een vroege zomerdag dit huis verlaat en met jou in de kinderwagen naar het fotografisch atelier Pouleijn in de Korte Noordstraat wandelt. Jullie zijn allebei in het wit gekleed en jij draagt geen sokjes, zulk zonnig weer in het. In het atelier neemt je moeder je op haar arm en vleit haar wang tegen de jouwe. Je kijkt een beetje verschrikt met grote ogen de wereld in. Het is de enige foto van jou in Middelburg.

Gisteren heb ik geschreven over dat ‘grote en vriendelijke voorjaarsverlangen’ in jou en je warme gevoelens voor een ander wezen of iets dat niet per se menselijk hoeft te zijn. Je schrijft in je dagboek dat je vriendschap kan sluiten met een stad en dat is precies wat ik aan het doen ben. Veel vaker ben ik in Middelburg geweest, maar nu heb ik meer het idee dat ik inwoner ben van de stad. De plaats doet vriendelijk aan, met veel water en pleinen, en lage huizen in gangen en stegen. Geveltuinen met maagdenpalm en blauwe druifjes en voor verschillende ramen posters met ‘Peace now’, ‘Putin stop the war’ en ‘Stop de genocide in Gaza’. De wereld is nog steeds ‘wild dooreengegooid’, veel meer nog dan jij toen kon vermoeden en er zijn nieuwe despoten opgestaan. Maar hier op de markt zijn de eerste terrassen geopend en koesteren mensen zich in de lentezon. Er wordt zelfs Aperol Spritz besteld op de vroege dinsdagmiddag, terwijl arbeidsmigranten met kabels en gereedschap rondsjouwen om nog meer zitjes te creëren.

Etty, het strelen van de lauwwarme voorjaarswind heb je op een avond in maart zó teer en zó alomvattend ervaren, dat mannenhanden je daarbij vergeleken grof voorkwamen, ook al waren die van je geliefde S. Ik voel me plotseling eenzaam op het zonnige marktplein en verlang naar huis, mijn ankerplaats.

maandag 16 maart 2026

Etty, in het maartse zonnetje zit ik te schrijven in de erker van jouw geboortehuis. Het speenkruid in de voortuin bloeit goudgeel. In dit statige pand heb je de eerste maanden van je leven doorgebracht. Toen je met je ouders naar Hilversum vertrok, waar je vader een nieuwe baan had gekregen, was je precies zo oud als mijn kleindochter nu. Je had de leeftijd van de schaterlachjes, het gebrabbel en het wild getrappel van mollige beentjes, dus nee – herinneringen zal je niet aan dit huis hebben. Maar je wieg moet in deze kamer hebben gestaan en de eerste lentezon van je leven viel hier door de hoge ramen naar binnen.

En in dat besef zit ik hier. De komende weken ben ik in dit huis writer in residence. Dat betekent dat ik niet alleen aan een eigen project werk; ook het verzorgen van twee workshops poëzie aan leerlingen van het voortgezet onderwijs behoort tot de taken. Vandaag is de eerste dag en ben ik een beetje aan het sfeerproeven en voorbereiden. Het verstoorde leven ligt voor me op het tafelblad. Het is een van de eerste uitgaves, uit maart 1982, met een vaag portret van jouw gezicht op de kaft. Kon de uitgever destijds geen foto vinden met een hogere resolutie (dit vergt enige uitleg, ik weet het) of moest jij een mysterie voor de lezers blijven? Het blauwe kader om je beeltenis is verkleurd tot bijna wit, de bladzijden binnenin zijn vergeeld alsof ze in thee zijn ondergedompeld. Onuitwisbaar zijn de vlekken van de turquoise inkt waarmee ik als achttienjarig meisje schreef. Jij weet toch als geen ander dat lezen en schrijven gelijk opgaan? Met potlood onderstreepte ik zinnen die ik wilde onthouden. Schreef ik uitroeptekens in de kantlijn, naast ontelbare aantekeningen. Het is maar goed dat het boek met linnen draden gebonden is, anders was het al lang uit elkaar gevallen.

Voor mij is dit oh zo dierbare boek tegelijk een tijdsbeeld. Toen ik je dagboek voor het eerst las, was ik net begonnen met de studie Nederlandse Taal- en Letterkunde in Groningen. Ik had serieus getwijfeld tussen deze studie en die van geschiedenis, maar mijn liefde voor literatuur, in het bijzonder de poëzie, gaf de doorslag. Toch viel die keuze me zeker de eerste maanden zwaar. Niet alleen moest ik wennen aan het op kamers wonen in een rommelig studentenhuis aan de Meeuwerderweg, als enig meisje tussen allemaal jongens, maar ook aan de colleges. De docent poëzie was een oude witte man, en met zijn handen in de zakken van een groezelige bodywarmer deed hij denken aan een bouwvakker. Mijn eerste referaat over De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff maakte hij met de grond gelijk, omdat er volgens hem spelfout in stond.

Desondanks heeft de liefde voor poëzie standgehouden. Altijd ligt er een dichtbundel op het nachtkastje, momenteel die van Tove Ditlevsen Er woont een meisje in me dat niet sterven wil. De titel doet me denken aan jou Etty, vooral waar je schrijft over ‘het onverwoestbare in mij’. In je dagboek herkende ik je in eerste instantie als een liefhebber van literatuur. Jij hield zoveel van Rilke en van de Russische schrijvers. En je dagboek is zo poëtisch. Over het voorjaar schrijf je bijvoorbeeld dit: ‘Waarom kan men niet een grote en tedere liefdesroes beleven met een lente, en met alle mensen?’ Je beschrijft hoe je gerust een half uur omfietst, wanneer je een wijnrode beuk uit je bakvisjaren wil omhelzen. Een verhouding met een boom, waarom ook niet?

Alles in het leven is groeien en vormt zich,
rijpt zoals de boom, die zijn sapstroom niet stuwt
en rustig in de lentestormen staat,
zonder de angst dat er straks geen zomer kan komen.
Die zomer komt toch!

Rainer Maria Rilke

Sinds het voorjaar van 2025 zijn de schrijvers van het schrijverscafé op de vrijdagen aanwezig in het Etty Hillesum Huis om inspiratie op te doen, met elkaar van gedachten te wisselen en vooral hard te werken aan verschillende schrijfprojecten. Op deze ‘writers in residence blog’ kunt u met de schrijvers meelezen.

 

9 januari 2026

“STILVALLEN OM VOORUIT TE GAAN”

Het is vrijdagochtend en ik zit samen met twee anderen te schrijven in de grote, lichte ruimte op de eerste verdieping van het Etty Hillesum Huis. Ik zit altijd op dezelfde plek en kijk dan tegen een citaat van Etty aan op de muur tegenover mij:

“Vooruit dan maar! Dit wordt een pijnlijk en haast onoverkomelijk moment voor mij: het geremde gemoed prijsgeven aan een onnozel stuk lijntjespapier”, 9 maart 1941.

En vandaag komt als vanzelf mijn pen in beweging. Er moet mij al wekenlang iets van het hart en Etty’s woorden trekken mij over de streep. Medio oktober 2025 reisde ik naar de Oude Abdij van Drongen nabij Gent. Een bezinnings- en conferentiecentrum in een historisch kloosterpand, waarin nog vier Jezuïeten wonen. Ik had behoefte aan een paar dagen voor mezelf, op zoek naar rust. Ik nam er deel aan een “stapdag” met als thema “Stilvallen om vooruit te gaan”. Onder leiding van één van de paters wandelden we met een groep mensen een hele dag door het mooie landschap en stonden we stil bij ons leven.

Halverwege de middag viel plotseling mijn blik op een imposante, in het zonlicht glanzende  vrouwelijke bilpartij die boven het gras uitstak aan de overkant van de Leie. Ik kon mijn ogen niet geloven, maar één van mijn medewandelaars riep meteen: “Dat is Moeder Aarde”.  Dit beeld raakte me diep. Het wekte ook een kriebel op in mijn onderbuik en dat voelde heel erg ongepast tijdens een bezinningswandeling. Ik maakte er nog snel een foto van en volgde de groep. Als ik alleen was geweest, had ik de dichtstbijzijnde brug gezocht en was ik het beeld van dichtbij gaan bekijken.

Het liet me niet los. ’s Avonds in mijn kamer zocht ik naar meer informatie. Het monumentale bronzen beeld is gemaakt door de kunstenares Ann Deman in 2008. Het is 6 meter lang, 2,80 meter breed en 1,38 meter hoog. Het symboliseert de vruchtbaarheid van onze aarde in de figuur van de vrouw.

Pas anderhalf jaar geleden heb ik me gerealiseerd dat ik vrouwen opwindend vind. Ik werd hevig verliefd op een vrouw, een veel intenser gevoel dan ik ooit voor een man heb gevoeld. Het overviel me. En dat op mijn leeftijd (68 jaar), nadat ik heel lang met een man samen ben geweest en er nooit van enige twijfel sprake was. Mijn liefde voor hem was oprecht.

Het bracht mij in de war en ik belandde in een zoektocht naar wie ik eigenlijk ben. Door wat het beeld in die tuin bij mij losmaakte, kan ik er niet meer omheen dat mijn focus echt op vrouwen ligt. En dat durf ik nu hardop te zeggen. Ik fantaseer over verdergaande aanrakingen dan vrouw-vriendschappelijke knuffels. In de toekomst hoop ik te mogen ervaren hoe het werkelijk voelt, vrijen met een vrouw. Dat ik dit nu prijs geef “aan een onnozel stuk lijntjespapier”, daar heb ik moed voor bij elkaar moeten rapen. Het citaat van Etty gaf mij het laatste duwtje in de rug. 

Sam

3 november 2025

Ogen

In de kamer met balkon op de eerste verdieping, kijken de ramen uit over het Molenwaterpark en op de kruin van de ginkgoboom voor het Etty Hillesum Huis. Zojuist liep ik voor een glas water naar de wc en stond oog in oog met mijn gezicht. Ik kon er niet omheen, het is geëvalueerd naar dat van een duidelijk oud(er) iemand. De ogen komen mij het meest vertrouwd voor.

In alle kamers van dit huis kijkt Etty Hillesum ons aan met vele ogen. Haar blik is soms peinzend, maar wel naar buiten gericht. Er is een portret van Etty waarop ze staart, haar hand ondersteunt haar kin en ze heeft een brandende sigaret in die hand. In mijn ogen is dit een geweldig beeld van de schrijfster in spe. De foto stamt uit 1937, ze is 23. In de korte tijd – maar negenentwintig jaar – dat ze leefde, leefde ze intens. Ze schreef gedreven dagboek, brieven en ‘vrije’ teksten. Ze bezitten een draagwijdte tot op heden.

In de balkonkamer van het huis staat op de muur een citaat uit haar dagboek. Ze was 27 toen ze schreef: ‘Vooruit dan maar! Dit wordt een pijnlijk en haast onoverkomelijk moment voor mij: het geremde gemoed blootgeven aan een onnozel stuk lijntjes – papier. [ 9 maart 1941 ]

Op de schildersezel in deze kamer staat een portret van Etty. De kunstenaar die het maakte heeft haar hoofd een tikje naar links gedraaid, haar ogen kijken ons onderzoekend aan, er speelt een zweem van een glimlachje om haar mond: ‘Zeg het maar, wie ben jij?’ Zo vat ik het op.

In de spiegel van het toilet van dit bescheiden museum, dat gewijd is aan haar leven en haar geschriften, die getuigen van grote denkkracht in extreme omstandigheden: genocide; uitroeiing op industriële leest geschoeid, keken míjn ogen mij aan: ‘Wie ben jij in deze tijd, anno 2025?’ vroegen ze.

Etty Hillesum overleed eind november 1943 in Auschwitz. Haar nagelaten werk, dat door de tijd heen is gedragen en met zorg wordt omgeven, is hoogst urgent voor mensen van nu.

Maya van Kempen

 

16 juni 2025

Sinds begin mei mag ik gebruik maken van een ruimte in het Etty Hillesumhuis om mijn tweede manuscript te voltooien. Het betreft een werk voor mensen van tien jaar en ouder, en het gaat over een jongen die tegen zijn wil bij zijn grootmoeder wordt gebracht, om daar een vakantie door te brengen. Het punt is: hij kent zijn grootmoeder niet door een familievete. En uiteraard stuit deze jongen op het geheim achter de vete en probeert hij de familie dichter bij elkaar te brengen, dapper als hij is.

Hij wel.

Het is jaren geleden dat ik een militaire test deed. Ik was pas een paar weken in opleiding bij de Koninklijke Marine met als doel officier worden. Alle baroe’s werden in een nagebouwd helikopterruim aan de rand van een zwembad geplaatst en ingesnoerd in gordels. Ik zat helemaal achterin het ruim, ver van de uitgang. Vervolgens klapte deze helikopter met een smak op het water en tuimelde het 180 graden rond. Langzaam liep de moot vol. Met ons hoofd naar beneden probeerden wij onze oriëntatie te hervinden. De opdracht? Bevrijd jezelf en kom weer boven.

Na afloop kreeg ik complimenten. Twee collega-baroes waren in paniek geraakt en ik had ze geholpen om los te komen en door een luik te ontsnappen. Ze kwamen veilig boven water. Ik had onzelfzuchtig gehandeld en er werd mij dapperheid toegeschreven.

Maar het echte verhaal was anders.

Het echte verhaal was dat ik zélf in paniek was geraakt en die twee die ik ‘geholpen’ had, blokkeerden mijn weg naar het ontsnappingsluik. Dat ik ze losmaakte en erdoorheen duwde, was puur eigenbelang. Alleen zo kon ik er ook zelf uit. Achteraf durfde ik niet mijn paniek op te biechten en veinsde een glimlach bij het ontvangen van de loftuitingen, te geschrokken van wat er zojuist was gebeurd.

Voor mij als oud militair zijn mei en juni maanden waarin de tweede wereldoorlog en andere gewapende conflicten heel dichtbij zijn. En altijd komt dit voorval naar boven. Etty wist wat haar te doen stond onder grote druk. En mijn protagonist weet ook wat hem te doen staat, tegen de wens van zijn familie in. En ik? Hoe dapper zal ik zijn als het zover komt? Wat doe ik als de vijand voor de deur staat? Zal ik altruïstisch de ander helpen die mij nodig heeft? Of kies ik voor mijn kinderen, voor mezelf?

Sinds die dag in het zwembad, durf ik het werkelijk niet te zeggen.

__________

13 mei 2025

Het is dinsdag vandaag. Zojuist heb ik de balkondeuren van het Etty Hillesumhuis geopend, mijn laptop opgestart en mijn schriften met aantekeningen neergelegd. Er staat een glaasje water naast me en mijn pennen liggen uitgelijnd. Ik ben er klaar voor.

Wat ik vandaag ga doen, weet ik nog niet. Er ligt een manuscript op mij te wachten. Bijna af is het. Bijna inderdaad. In die fase kan een schrijver lang ronddobberen. Wat het nog nodig heeft? Een extra laagje, wat structuur, kleine inhoudelijke verduidelijkingen. Goed te overzien dus. Maar waar te beginnen en wat te verbeteren? Want van veel moet ik vooral afblijven.

Eerst maar eens gewoon lekker zitten. Etty Hillesum glimlacht naar me. Haar citaat ‘Vooruit dan maar! Dit wordt een pijnlijk en haast onoverkomelijk moment voor mij: het geremde gemoed prijsgeven aan een onnozel stuk lijntjespapier’ links naast me.

Schrijven is niet moeilijk. Iedereen kan het. Liefst één miljoen Nederlands hebben een manuscript op hun laptop staan. Ik voltooide reeds een jeugdroman en een prentenboek of twee. Dus: what’s the big deal?

Die drempel… die onzichtbare drempel die zich manifesteert in een fluisterende stem in mijn oor: ‘kan ik het wel?’/ ‘kom ik er wel?’ / ‘lukt het me nog een keer?’ En soms ook ronduit luid in mijn oor tettert dat de uitdaging die ik mijzelf gesteld heb voor dit manuscript – werken met meervoudig vertelperspectief – een te grote is voor mij, dat ik mezelf overschat. Diezelfde stem houdt ook dwangmatig de klok in de gaten en meldt hoe weinig ik gepresteerd heb terwijl er toch al een half uur voorbij is.

Ik druk mijn rug in de leuning van de stoel, schuif wat met mijn billen heen en weer, bal mijn handen tot vuisten en strek mijn onderarmen. Ik moet een beetje op een marathonloper lijken die zijn beenspieren nog een laatste keer oprekt om het straks uren vol te kunnen houden. Maar dan anders.

Het is een kwestie van niet zeuren, niet over-denken, gewoon doen, gewoon beginnen. Huppetee… het eerste woord, de eerste zin, alinea… en dan…

Vooruit dan maar!

Kris Terwindt

Schrijvers- of kunstenaarsresidentie Geïnteresseerd in een schrijvers- of kunstenaarsresidentie in het Etty Hillesum Huis? Neem gerust contact met ons op om meer te weten te komen over de verhuurmogelijkheden en aanbiedingen!

Artist and Writer in Residency
Facebook
Twitter
LinkedIn